Subdossier: EVETA - Kopenhagenproces

Op 30 november 2002 tekenden de ministers van Onderwijs uit 31 Europese landen en de Europese Commissie (EC) de Kopenhagenverklaring om de samenwerking in het Europese middelbaar beroepsonderwijs (mbo) te verbeteren. Speerpunten zijn de aantrekkelijkheid van het mbo, erkenning van kwalificaties, mobiliteit en de kwaliteit van leraren en trainers.

Ontwikkeling

Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo)/Vocational Education and Training (VET) is van groot belang aangezien ongeveer 60% van de EU burgers een opleiding volgt op mbo-niveau. De Verklaring van Kopenhagen en de daarop volgende Communiqués van Maastricht (2004), Helsinki (2006) en Brugge (2010), maakte het mogelijk om concrete acties te ondernemen op het gebied van erkenning, kwaliteit en transparantie. Voorbeelden hiervan zijn:

  • de implementatie van het studiepuntensysteem European Credit system for Vocational Education and Training (ECVET);
  • het stimuleren van het gebruik van Europass;
  • het European Quality Assurance Reference Framework for VET (EQAVET).

Door al deze acties werd er een basis gecreëerd om de mobiliteit te vergroten en om een leven lang leren te ondersteunen.

Brugge Communiqué en verder

Het jaar 2010 kan worden gezien als een mijlpaal in de samenwerking in het Europese mbo. De EC publiceerde in juni 2010 de mededeling ‘A New Impetus for European cooperation in Vocational Education and Training to support the Europe 2020 strategy’. In deze mededeling presenteerde de EC een visie voor het mbo over een periode van tien jaar. Daarnaast hebben de ondertekenaars van de Verklaring van Kopenhagen in december van datzelfde jaar het Brugge Communiqué aangenomen. In het Brugge Communiqué zijn concrete doelen voor zowel nationaal als Europees niveau opgenomen en is de wens uitgesproken voor meer betrokkenheid van mbo-onderwijsaanbieders. Daarnaast heeft ook de Raad aandacht voor het beroepsonderwijs. Zo is in 2013 door de Europese Raad aangegeven dat het aanpakken van jeugdwerkeloosheid de hoogste prioriteit heeft en dat de EC in dat kader een ‘European Alliance for Apprenticeships’ mocht oprichten, die in juli 2013 ook daadwerkelijk is gelanceerd.

Ook is er aandacht voor het mbo in verschillende documenten van de EC. Voorbeelden hiervan zijn:

  • Rethinking Education, gericht op flexibelere onderwijssystemen die beter in staat zijn aan te sluiten op de vraag naar vaardigheden en competenties vanuit de markt. Resultaatgericht onderwijs met aandacht voor basisvaardigheden en technologie hebben de toekomst in Europa, als het aan de EC ligt.
  • Opening Up Education gaat in op het belang van de integratie van ICT in het onderwijs in Europa. ICT en onderwijs is een cross-sectoraal onderwerp en van belang voor alle kennisinstellingen, of het nu gaat over het gebruik van Open Educational Resources (OER) of de MOOCs.
  • European Area of Skills and Qualifications voor meer samenhang tussen de instrumenten voor transparantie en erkenning van mobiliteit in leren en werken, zoals EQF, ECVET en ECTS.
  • Youth Guarantee (jongerengarantie): deze strategie beoogt dat elke jongere onder de 25 binnen 4 maanden na het verlaten van formeel onderwijs een baan-, stage- of opleidingsaanbod krijgt.

Riga conclusies

In 2015 is de middellange termijn visie voor het mbo nieuw leven ingeblazen met de Riga Conclusies. Met de Riga Conclusies wordt er voortgebouwd op onder andere de Kopenhagen en Brugge Communiqués en tegemoet gekomen aan de ET 2020-strategieën en de Europese agenda voor banen en groei.

In die Riga Conclusies zijn de volgende vijf kernthema’s benoemd die tot 2020 centraal staan in het Europese mbo-beleid:

  • Het stimuleren van work-based learning;
  • Het kwaliteitsborgingmechanisme verder ontwikkelen;.
  • De toegang tot het mbo en het behalen van kwalificaties vergemakkelijken;
  • Versterken van de sleutelcompetenties;
  • Professionalisering van docenten.

Het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) schreef eind 2018 een rapport over de vooruitgang op de thema’s van de Riga Conclusies. Hieruit blijkt dat de lidstaten al goede stappen hebben gezet op deze thema’s, met name het stimuleren van work-based learning en het vergroten van leermogelijkheden in bedrijven staat bij lidstaten hoog op de agenda. Ook hebben de conclusies volgens Cedefop geleid tot intensievere samenwerking van landen op het gebied van beroepsonderwijs. Echter zijn de verschillen nog altijd groot tussen lidstaten.

Tijdlijn

Momenteel wordt er gewerkt aan een visie voor het mbo/VET na 2020. Eind 2018 gaf het Advisory Committee on Vocational Training (ACVT) een voorzet voor deze nieuwe visie. In hun opinie nodigen zij de Commissie uit om in navolging van Brugge Communiqué en de Riga Conclusies met een nieuwe Communiqué te komen dat de visie voor 2030 definieert. Ook roept zij in haar opinie op de aan de Commissie om een voorstel te schrijven die het huidig Europees beleid voor beroepsonderwijs stroomlijnt en versterkt. Daar hoort ook een moderniseringsagenda bij op basis van de nieuwe Communiqué.

Volgens de opinie van het ACVT moeten excellentie, sociale inclusie en leven lang leren centraal staan in het beroepsonderwijs van de toekomst. In de opinie van het ACVT staan drie elementen centraal; het beroepsonderwijs van de toekomst moet zich richten op:

  1. het verkrijgen van vaardigheden, competenties en kwalificaties bevorderen, om de inzetbaarheid van individuen op de arbeidsmarkt te verhogen.
  2. Het beroepsonderwijs moet toegankelijker en aantrekkelijker worden voor iedereen. Zo moeten leraren goed gekwalificeerd zijn en toegang hebben tot verdere opleidingsmogelijkheden. Ook het aanzien van het beroepsonderwijs moet verbeterd worden, bijvoorbeeld door studentambassadeurs in te zetten.
  3. Het beroepsonderwijs moet worden ingericht op een leven lang leren, onderdeel zijn van het sociaal beleid en betrokken worden in regionale strategieën voor innovatie en economische groei. Om flexibiliteit te garanderen zijn mechanismen nodig voor het waarborgen van kwaliteit en effectieve evaluatie.

Op 6 mei 2020 zal de Commissie haar Raadsaanbeveling voor de toekomst van het beroepsonderwijs publiceren. In september zal onder het Duitse voorzitterschap het nieuwe Osnabrück Communiqué worden getekend, de opvolger van het Brugge Communiqué.

Geüpdatet op: 27/03/2020

lees meer