Leerlingen en studenten in Europa hebben flink te lijden onder de coronapandemie, maar de digitalisering van het onderwijs heeft wel een vlucht genomen. Dat is de conclusie van de jaarlijkse Onderwijs- en Opleidingsmonitor van de Commissie. De basisvaardigheden van lerenden is nog niet waar die moet zijn, blijkt uit een tussenstand van de doelstellingen voor 2030. De Nederlandse onderwijsfinanciering wordt als onvoldoende gezien om gerichte kwaliteitsmaatregelen te doen.


Pandemie desastreus voor onderwijs, maar brengt wel digitalisering

Negatieve impact corona, wel digitalisering

Corona leidt tot leerachterstanden, uitvergroting van bestaande ongelijkheden en tot verslechterd welzijn van lerenden op alle onderwijsniveaus. Dat concludeert de Commissie in de jaarlijkse Onderwijs- en Opleidingsmonitor. Lidstaten, inclusief Nederland, nemen wel gerichte maatregelen om de negatieve effecten zo veel mogelijk te beperken. Toch zullen nog meer gerichte maatregelen nodig zijn om de inclusie van en toegang tot onderwijs te verbeteren, aldus de Commissie. Tegelijkertijd heeft de pandemie er wel voor gezorgd dat de digitalisering van onderwijs in rap tempo vorm krijgt, door investeringen in online en blended onderwijs.

RRF: Verdere digitaliseringsslag  

De investeringen uit de Recovery and Resilience Facility (RRF), onderdeel van het Europees herstelfonds, zullen verdere digitalisering nog veel meer aanjagen. De Commissie becijfert dat een derde van de onderwijsinvesteringen door lidstaten naar digitalisering gaan (bijvoorbeeld digitale infrastructuur en vaardigheden). In totaal spenderen lidstaten gemiddeld 13% aan onderwijs en vaardigheden. Verder gebruikt meer dan de helft van de lidstaten de Europese herstelfinanciering om een transformatie van het hoger onderwijs te stimuleren, door programma’s te moderniseren, meer studieplaatsen te verzorgen, microcredentials te integreren, nieuwe financieringsmodellen te introduceren, en internationalisering een impuls te geven. Overigens dreigt Nederland de boot te missen door het uitblijven van een nationaal herstelplan, wat vereist is om aanspraak te maken op de financiering.

Matige voortgang ET2030

De Onderwijs- en Opleidingsmonitor legt ook de voortgang richting de doelen uit het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET2030) onder de loep. Over het algemeen valt die matig te noemen (zie tabel 1), al hebben de negatieve effecten van de coronapandemie zonder meer hun weerslag. De EU is enkel dichtbij het doel van 9% vroegtijdige schoolverlaters. Verder valt op dat de basisvaardigheden van lerenden in lezen, wiskunde en exacte vakken ver onder de maat zijn. Die zijn tussen 2010 en 2020 niet verbeterd, terwijl er in die periode wel progressie is geboekt op de andere doelen. Nederland volgt de Europese trends op het gebied van basisvaardigheden en voorschools onderwijs. Wel heeft zij de Europese doelen voor voortijdige schoolverlaters en mensen met een hogeronderwijsdiploma reeds behaald.

Tabel 1: Voortgang ET2030-doelen

Doel

Huidige EU-voortgang

Huidige NL-voortgang

Minder dan 15% van alle 15-jarigen mag onvoldoende scoren voor lezen, rekenen en exacte vakken

Lezen: 22,5%
Rekenen: 22,9%
Exacte vakken: 22,3%

Lezen: 24.1%
Rekenen: 15,8%
Exacte vakken: 20%

Het aandeel van de slecht presterende leerlingen uit groep acht in computer- en informatievaardigheden zou minder dan 15% moeten bedragen

Cijfers in 2024 beschikbaar

Geen cijfers

Minimaal 96% van alle kinderen moet voorschools onderwijs krijgen

92,8%

90,5%

Maximaal 9% voortijdige schoolverlaters onder alle 18- tot 24-jarigen

9,9%

7%

Minstens 45% van de 25- tot 34-jarigen moet een diploma hoger onderwijs hebben

40,5%

52.3%

Minstens 60% van alle afgestudeerden in het beroepsonderwijs leerde tijdens zijn/haar studie op de werkplek tegen 2025

Cijfers in 2022

Geen cijfers

Minstens 47% van alle volwassenen tussen 25-64 jaar moet deelnemen aan een vorm van leren in de laatste 12 maanden tegen 2025

Cijfers in 2023

Geen cijfers


Nederlandse financiering onvoldoende

De Commissie merkt op dat de Nederlandse onderwijsfinanciering onvoldoende is om gerichte maatregelen te nemen die de onderwijskwaliteit ten goede komen. Zo wordt er nauwelijks kleinschalig onderwijs gegeven binnen het tertiair onderwijs en blijft bijvoorbeeld het lerarentekort een groot probleem in het basis- en middelbaar onderwijs. Desalniettemin lagen de onderwijsinvesteringen als percentage van het bbp (5%) hoger dan gemiddeld in de EU (4.7%), over 2019 bezien. Datzelfde geldt voor de overheidsuitgaven aan onderwijs, die met 11,8% hoger liggen dan het Europees gemiddelde van 10%. Verder is de Commissie van mening dat het Nederlandse onderwijs over de volle breedte erg toegankelijk is, doordat de hoogte van financiële middelen van instellingen gekoppeld is aan aantallen leerlingen/studenten.

Context

De jaarlijkse Onderwijs-en Opleidingsmonitor omvat een vergelijking tussen de 27 EU-landen op basis van allerlei indicatoren. Aan de hand hiervan analyseert de Commissie de belangrijkste uitdagingen voor Europese onderwijssystemen en stelt zij verbeteringen voor. Ieder land ontvangt bovendien een individueel rapport. Het speciale thema van dit jaar was ‘welzijn’, een thema dat al langer op de radar staat maar aan prominentie heeft gewonnen door de coronapandemie. Vorig jaar stond de Monitor in het teken van digitaal onderwijs. Het komend halfjaar richt het Frans voorzitterschap op onderwijsgebied onder meer zijn pijlen op de mobiliteit van het beroepsonderwijs, de strategie voor hoger onderwijs en het Europese Universiteiten-initiatief.